zondag 10 augustus 2014

De componist en het uitzicht: Måbødalen

Noorwegen is een land van watervallen. Maar je hebt watervallen en watervallen. Zoals indrukwekkende watervallen die vanwege de enorme hoeveelheid water dat met donderend geraas naar beneden stort een spectaculair schouwspel bieden of woest stromende watervallen waarbij hoe verder het voorjaar en de zomer vorderen niet meer dan een zielig straaltje overblijft of watervallen die in hoogte niet veel indruk maken maar wel in de breedte imponerend zijn en er als een bewegend gordijn uitzien of watervallen die wat hoogte betreft je juist een pijnlijke nek van het omhoogkijken bezorgen en dan bestaan er nog tweelingwatervallen, twee waterstromen naast elkaar die bijna identiek aan elkaar zijn en zo zijn er in dit land allerlei varianten te vinden. 

De waterval Tvindefossen, tussen Voss en Stalheim, is in het voorjaar
de moeite waard om voor te stoppen en te fotograferen.
Maar na het voorjaar kan de hoeveelheid water behoorlijk afnemen.

Eén variant wil ik iets nader toelichten en dat is de waterval waarbij het omringende, spectaculaire landschap je bijna doet vergeten dat de waterval er ook nog is. Dat is bij de Vøringfossen het geval, een flinke waterval van 182 meter hoog met een vrije val van 145 meter de diepte in. En wat voor een diepte! 

De Vøringfossen, gezien vanaf het uitzichtpunt
bij Hotel Fossli. 

Laat ik beginnen met te vertellen dat de Vøringfossen boven aan de vallei Måbødalen ligt, een smal dal in de gemeente Eidfjord, provincie Hordaland. Als je vanaf de hoogvlakte Hardangervidda komt, rij je over een steile weg met haarspeldbochten naar beneden richting Eidfjord. Ik meen me te herinneren dat er langs de weg zelfs een bord staat met de tekst dat je je remmen moet checken voordat je aan de afdaling begint. Niet echt een geruststellend idee, maar inmiddels zijn wij gelukkig al wel het een en ander aan afdalingen gewend. 
De weg slingert zich door een nauw dal waar de bergwanden indrukwekkend hoog boven je uittorenen. Op een gegeven moment passeer je Hotel Fossli. Bij het hotel is een omheind uitzichtpunt van waaruit je een fantastisch zicht hebt op de Vøringfossen en Måbødalen. Een imposant brok natuur ligt als het ware aan je voeten. 
Er zijn verderop langs de weg meerdere uitzichtpunten, maar die bieden niet het spectaculaire uitzicht dat je bij Hotel Fossli hebt. Bovendien staan er bij die andere uitzichtpunten niet overal hekken langs het immens diepe dal, dus voorzichtigheid is dan echt noodzaak. Mijn hart heeft bij mij al regelmatig in de keel gezeten als ik kinderen enthousiast naar de rand van het ravijn zag lopen en de ouders niet zichtbaar zag opletten. 

Spectaculair uitzicht over Måbødalen.

Een indrukwekkend brok natuur.

Van Hotel Fossli heb ik helaas geen foto’s gemaakt, simpelweg omdat het gebouw me niet echt aansprak. Het hotel is in 1891 in art nouveau stijl gebouwd. Die bouwstijl werd toen veel toegepast. In 1891 bestond er nog geen weg naar de plek waar het hotel gebouwd moest worden. Alle bouwmaterialen werden per paard naar boven vervoerd, een enorme klus. Het gebouw schijnt het karakter uit die tijd behouden te hebben maar dat merkte ik natuurlijk niet op. Daaruit blijkt dat ik weinig tot geen verstand van architectuur heb. Nu moet gezegd worden dat het hotel in de loop der tijd behoorlijk is veranderd van uiterlijk. Daar kwam ik achter toen ik oude afbeeldingen van het hotel opzocht.
Het hotel heeft in al die jaren onderdak geboden aan gasten van diverse pluimage, van schrijvers en musici tot gasten van koninklijke bloede. De Noorse componist Edvard Grieg logeerde regelmatig in Hotel Fossli. Hij heeft er zijn Opus 66 geschreven. De piano waarop hij het een en ander gecomponeerd heeft, bevindt zich nog steeds in het hotel.

Een gedeelte van de huidige bergweg die langs de rand
van het diepe dal loopt.

Een eventuele volgende keer zal ik met andere ogen naar Hotel Fossli kijken en als ik dan vanaf het uitzichtpunt over de Vøringfossen en Måbødalen uitkijk zal ik bij mezelf denken: dit heeft Edvard Grieg gezien, precies hetzelfde landschap. Eigenlijk moet ik dan tegelijkertijd naar Opus 66 luisteren. Wie weet, doe ik op die manier ook inspiratie op.


zondag 3 augustus 2014

Een ijzig verhaal

Een blik op de Jostedalsbreen, het grootste gletsjergebied
van het Europese vasteland.
Een verhaal dat je bijblijft als je Noorwegen bezoekt is het verhaal van Jostedalsrypa, het meisje uit Jostedalen dat in de jaren 1349/50 als enige de pest overleefde. De Noorse bevolking werd tot de helft gereduceerd door de pestepidemie die in die tijd rondwaarde. 
Jostedalen is een smal, ruig en afgelegen dal en was vroeger een erg ontoegankelijk gebied. In die tijd reisden mensen soms over enorme gletsjervelden om ergens te kunnen komen. Zeer zeker geen ongevaarlijke onderneming. 

Jostedalen.

Een klein gedeelte van de immense ijsmassa waaruit
de Jostedalsbreen bestaat.

Jostedalen ligt aan de voet van het Nationaal Park Jostedalsbreen, met z’n bijna 500 km2 het grootste gletsjergebied van het Europese vasteland. Binnen Europa zijn alleen op IJsland grotere gletsjergebieden te vinden. Tegenwoordig voert een smalle weg tot aan het eind van het dal. Daar vind je het dorpje Jostedal dat dicht bij de Nigardsbreen ligt, een van de ijzige uitlopers van het immense gletsjergebied. 

Nigardsbreen.

Zicht op Jostedalen vanaf de Nigardsbreen.

Doordat het dal erg geïsoleerd lag hoopten de vroegere bewoners van Jostedalen aan de pest te ontkomen. Tijdens de epidemie werd er door middel van brieven die onder een steen werden gelegd contact met de buitenwereld onderhouden. Helaas kon niet worden voorkomen dat het dal toch door de pest werd getroffen en overleefden de bewoners deze ziekte niet. Op één iemand na, een jong meisje. Zij verbleef op een hoog in de bergen gelegen zomerboerderij om daar vee te hoeden. Dat was haar redding. Een jaar later werd zij door een paar rondreizende mannen gevonden die haar over de weiden zagen dwalen. Vanaf die tijd werd ze ‘Jostedalsrypa’, genoemd, 'sneeuwhoen van Jostedalen', omdat ze zo vrij als een vogel over de velden rondzwierf. Later trouwde ze en bleef in Jostedal wonen. Zodoende werd ze de stammoeder van nieuwe generaties inwoners in Jostedalen. 

De ijzige schoonheid van
de Nigardsbreen.

Het verhaal van Jostedalsrypa kwam ik voor het eerst tegen in het jeugdboek Een schip kwam naar Noorwegen van Torill Thorstad Hauger. In het verhaal zijn historische gegevens, sagen en overleveringen die met de pest te maken hebben met elkaar verweven. Natuurlijk wekte het boek nieuwsgierigheid bij mij op en dat was meteen de aanzet om Jostedalen op de lijst van te bezoeken plaatsen te noteren.  

Wie dat wil kan met een bootje genaamd 'Jostedalsrypa'
naar de Nigardsbreen varen.

De gletsjer is ook lopend te bereiken.

Een gletsjertocht maken is een onvergetelijke ervaring, hebben wij
ondervonden. Stijgijzers onder de voeten binden, touw om
je middel, gids voorop en lopen maar.

Wanneer je Jostedalen bezoekt en om je heen kijkt naar de hoge bergen, en de gletsjer die verderop ligt, probeer je je voor te stellen hoe het er in de tijd van Jostedalsrypa uit moet hebben gezien. Waarschijnlijk niet eens zoveel anders dan tegenwoordig. De gletsjer lag misschien verder landinwaarts, maar dat is niet eens zeker, want eeuwen geleden waren de gletsjers ook al aan verandering onderhevig en toen was er nog geen sprake van opwarming van de aarde. In de loop der tijd groeiden en slonken gletsjers. Dat variereerde door al die honderden jaren heen. Alleen vindt tegenwoordig het slinken vermoedelijk in een versneld tempo plaats en dat baart natuurlijk de nodige zorgen. 

Bij een andere zijarm van de Jostedalsbreen, de Briksdalsbreen, kom je
midden in het groen een bordje tegen dat de plek markeert hoe ver
de gletsjer in 1800 landinwaarts lag.  En dat was ver!

Jaren geleden stroomde er onder een brug bij de Nigardsbreen een enorme
hoeveelheid smeltwater door.

Toen wij jaren later naar dezelfde plek terugkeerden was er geen sprake
meer van veel smeltwater en was de gletsjer behoorlijk geslonken.
Ik zit hier op de plek waar de foto hierboven ook gemaakt is.

Als je je verplaatst in de vroegere bewoners van Jostedalen en hoe geïsoleerd hun woonplaats lag met aan de ene zijde het moeilijk begaanbare dal en aan de andere zijde het enorme gletsjerplateau dat zijn ijskoude vingers naar de omgeving uitstrekt, besef je wat een hachelijke onderneming het reizen in die tijd geweest moet zijn. En ondanks de afgelegen ligging toch nog, op één persoon na, aan een pestepidemie bezwijken. Gelukkig dat Jostedalsrypa het overleefd heeft, anders was Jostedalen misschien voor altijd ontoegankelijk gebleven en moesten we de imposante natuur op deze plek aan ons voorbij laten gaan.  

Op weg naar de Briksdalsbreen, de andere gletsjerzijarm die ik bij een foto
hierboven al noemde.

Een nietig mensje in de imposante natuur bij de Briksdalsbreen.

Ook de Briksdalsbreen was bij een tweede bezoek enorm geslonken.

Een ijzige aflsluiting van het verhaal.