woensdag 20 februari 2013

Zeebenen... of niet?

Als we naar het noorden gaan, wordt het dan in het voor- of in het najaar?” vraagt mijn echtgenoot terwijl hij achter zijn laptop een website van een ferry-maatschappij doorworstelt. Hij is al bijtijds bezig met Scandinavische vakantieplannen. 
“Gaan we überhaupt met vakantie?” vraag ik hem. 
“Ja, ik vind dat we er één maal per jaar wel tussenuit mogen breken.”
“Ja, eigenlijk wel, hè,” zeg ik. 
Wij zijn types met de instelling dat wanneer het even kan, we het ervan moeten nemen. Ik zou graag in het najaar gaan omdat de kans op noorderlicht dan aanwezig is, iets waarvan we in dat jaargetijde ooit een glimp hebben mogen opvangen. Vol verwondering staarden we naar een op en neer dansende lichtboog tegen een achtergrond van een met duizenden sterren bezaaide hemel. En dan de fantastische herfstkleuren. Onvoorstelbaar mooi!

Een tapijt van herfstkleuren.

Toch antwoord ik: “Het voorjaar.”
Ten eerste genieten we dan van de eindeloze lange avonden omdat het bijna of helemaal niet donker wordt. Het ligt eraan waar je je in Scandinavië bevindt. Ten tweede hebben we in het najaar een keer een flinke bries op zee meegemaakt toen we ons op een veerboot naar Noorwegen bevonden en dat was meteen mijn eerste, niet bepaald prettige kennismaking met zeeziekte.  


Deze foto en de foto hierboven zijn gemaakt bij het Noorse Kristiansand.

En die kennismaking ging als volgt: aan boord van een veerboot naar Oslo begeeft mijn echtgenoot, gezegend met zeebenen en een sterke maag, zich nog even op het dek om foto’s van de ruwe zee te maken. Ik besluit onze hut op te zoeken en zwalk, vanwege de deining, als een dronkenman over het schip. Opgelucht constateer ik dat er nog meer passagiers zijn die moeite hebben om in een rechte lijn te lopen. Het levert grappige situaties op. Een bocht nemen is een ware uitdaging en in de lange gang waar onze hut zich bevindt begrijp ik plotseling waarom er leuningen langs de wanden gemonteerd zijn. Ik had er nog nooit bij stilgestaan dat ik die zou moeten gebruiken om op de been te blijven. In een poging de deur van onze hut te bereiken, schiet ik die tot twee maal toe voorbij. Mijn verstand zegt precies wat ik moet doen, alleen wil mijn evenwichtsorgaan niet echt meewerken. Het werkt op mijn lachspieren en na een derde poging stap ik eindelijk grinnikend onze hut binnen. Een verkwikkende douche zou fijn zijn en ik installeer me in de aangrenzende piepkleine badkamer. Ik trek alvast wat kledingstukken uit maar bedenk dat ik eerst mijn tanden wil poetsen. En hangend boven de wasbak slaat het toe: misselijkheid en niet zo’n klein beetje ook. Conclusie: ik moet zo snel mogelijk deze ruimte zonder raam verlaten en dus strompel ik naar het bed in onze hut en laat me erop neerzakken. Ik zou uit het raam moeten kijken, maar half rechtop tegen de wand aanliggend durf ik me niet te verroeren, want iedere beweging, hoe gering ook, veroorzaakt nog meer misselijkheid. Er blijft weinig te lachen over.

Nog vol goede moed.
Een kwartier later arriveert mijn echtgenoot opgewekt fluitend in onze hut. Hij blijft prompt stilstaan bij het zien van zijn alleen in lingerie gehulde vrouw die boven op het bed ligt. Eerst zie ik zijn verraste blik (tja, wie is niet verrast als hij zijn vrouw zo aantreft?), daarna een onderzoekende en daarna een begrijpende blik in zijn ogen. Zijn mond plooit zich langzaam tot een glimlach.
“Weet je dat je gezicht net zo wit is als die wand achter jou?”
“Ja, maak er maar een grapje van,” weet ik nog net mompelend uit te brengen. Liefdevol helpt hij me overeind zodat ik uit het raam naar de horizon kan kijken. Maar het is najaar en het wordt langzaamaan donker. De horizon is al snel in het duister gehuld. Voorzichtig laat ik me op het bed terugzakken en blijf zo stil mogelijk en nog steeds afschuwelijk misselijk liggen.
“Wil je iets eten of drinken?” vraagt mijn echtgenoot bezorgd. Alleen al het idee daaraan maakt de situatie er niet beter op. Ik schud langzaam mijn hoofd. Even later zit hij zelf met een blikje bier en een zakje chips naast mij. De geur alleen al...


De avond gaat over in de nacht en ook mijn echtgenoot is naar bed gegaan. We horen het schip kreunen en steunen onder de harde wind. Er flitst een beeld door mijn hoofd van de film ‘Titanic’, waarin het schip ook klaaglijke metaalachtige geluiden produceerde toen het bezig was ten onder te gaan. Snel stop ik die gedachte weg. Bij iedere golfslag worden we een stukje van ons bed getild en belanden we iets verder onderin op onze slaapplaats terug. Eigenlijk voelt de deining best prettig aan en ik besluit me er maar aan over te geven. De misselijkheid is iets afgenomen, misschien kan ik nog wat nachtrust pakken. Jammer dat we het geluid van doorspoelende wc’s overal om ons heen horen. Blijkbaar zijn er meer passagiers die last van zeeziekte hebben, bedenk ik vermoeid glimlachend en val, al deinend, eindelijk in slaap.


Ik weet dat het in het voorjaar ook hard kan waaien en dat ik best nog wel eens in het najaar naar Scandinavië zou willen reizen om het noorderlicht en de herfstkleuren te kunnen zien. Toch denk ik dat de lichte voorjaarsavonden en -nachten het dit jaar gaan winnen van de schoonheid van het najaar. Maar mezelf kennende ga ik vast nog wel een keer tijdens de herfst naar het noorden. Alles wat ik hoef te doen is mijn verstand op nul zetten, pilletje tegen zeeziekte innemen en vooral uit het raam blijven kijken. Moet lukken. Toch?


 
 
 

zaterdag 2 februari 2013

Pielemoppen en polenta

Hoewel ik veel van Italiaanse gerechten hou, heb ik soms gewoon zin in Hollandse kost. Een paar dagen geleden was het weer zover: onze borden waren gevuld met kapucijners, gebakken uien en champignons, en uitgebakken spekreepjes. Daaroverheen schenk ik een ruime hoeveelheid stroop. Nu hoor ik sommige mensen denken: stroop??? 
Ja, stroop. Ik weet niet beter dan dat er bij ons thuis altijd kapucijners met stroop gegeten werd. Het zal wel met de streek te maken hebben waar ik vandaan kom. Voor wie het niet kent, probeer het eens uit. Je zult verrast zijn…

Hollandse kost, maar we proberen ook graag Scandinavische lekkernijen uit.

Het doet me denken aan een van de eerste bezoeken aan mijn schoonfamilie. Toen mijn schoonvader nog leefde gingen wij op zondagochtend regelmatig bij hem op de koffie. Op die ochtend zaten alle inmiddels uit huis zijnde kinderen bij hem rond de tafel en dronken we van de oersterke koffie die al een paar uur had staan pruttelen en waar je als nietsvermoedende nieuweling bij de eerste slok bijna van schrik van je stoel afviel. Zoiets gebeurde je maar één keer, daarna voegde je royaal melk toe.

In Noorwegen aten wij Noorse rozijnenbollen bij de koffie.
De hoeveelheid rozijnen is verbijsterend ;-) 

Mijn schoonfamilie komt uit Kampen en vooral mijn schoonvader sprak het plaatselijke dialect. Ik was van huis uit wel dialect gewend, al kan ik het zelf niet spreken omdat ik te jong was toen ik vanuit Drenthe naar de Randstad verhuisde. Maar de vraag of ik een pielemoppe bij de koffie wilde hebben klonk mij nogal cryptisch in de oren. Terwijl ik nog nadacht over mijn antwoord werd er een pak met gevulde koeken op tafel neergelegd. Een pielemoppe bleek, tot mijn grote opluchting, gewoon een gevulde koek te zijn, al doet de naam anders vermoeden…

Ook Zweedse koffiebroodjes doen het goed en zijn soms onweerstaanbaar.

En wanneer ze het over een poelente hadden, dacht ik dat ze het over het Italiaanse gerecht ‘polenta’ hadden. Maar een poelente bleek niets meer of minder dan een eend te zijn. En dan heb ik het nog maar niet over de kladde werk dat ze te doen hadden: de grote hoeveelheid werk. En hoe hellig ze soms konden zijn: boos konden zijn. Maar mijn favoriet is toch wel knasterbuttien. Tijdens het eten van een stukje vlees kon iemand zomaar ineens last van een knasterbuttien hebben en ik dacht dat er misschien iets met hun gebit aan de hand was. Maar met een knasterbuttien wordt een stukje taai, kraakbeenachtig bot bedoeld dat in het vlees zit.
Op een gegeven moment zette mijn schoonvader een bord voor mij op de tafel neer dat een niet te identificeren papachtige substantie bevatte waarin kleine, bruine dingetjes ronddreven en - zag ik dat goed? - stukjes worst.
“Lekker, det meui pruuvn. Kruudmoes of kennie det nie?” (Lekker, dat moet je proeven. Kruudmoes of ken je dat niet?) vroeg hij. Nee, ik kende het gerecht niet en staarde met gemengde gevoelens naar de er een beetje vreemd uitziende inhoud van het bord.
“Dat is pap van karnemelk, gort, rozijnen en worst,” legde iemand anders mij bereidwillig uit.
“O, oké…” En ik pakte aarzelend en een beetje huiverig voor de combinatie van pap en worst, de bijbehorende lepel van de tafel. Maar ach, je moet alles een keer geprobeerd hebben en ik nam dapper een hap, eerst zonder worst, want ik wilde me nog even voorbereiden op de pap-met-worst-hap. Nu ben ik nooit een groot fan van karnemelkse- en gortepap geweest en dus moest ik behoorlijk mijn best doen om het lekker te vinden en dat was nog maar de hap-zonder-worst. Daarna was het de beurt aan de hap-met-worst. Tja, wat zal ik zeggen: apart, bijzonder, geef het maar een naam. Ik heb keurig onder het toeziend oog van mijn schoonvader en de rest van de familie het bord leeggegeten terwijl mijn schoonvader argwanend vroeg: “Of lussie det nie?” (Of lust je dat niet?). Ik wilde hem niet teleurstellen, dus zei ik hem dat het lekker smaakte, maar ik was stiekem een beetje blij toen ik de laatste lepel naar binnen had gewerkt en met weemoed terugdacht aan de Drentse kniepertjes (knapperige wafeltjes) die ik bij mijn ouders thuis weleens kreeg. Ja, je moet er wat voor over hebben om bij je schoonfamilie in de smaak te vallen.

Verse wafels zijn in Noorwegen bijna overal te koop 
en smaken net zo lekker als kniepertjes. 

Er bestaan nog steeds allerlei streekgerechten, net zoals er nog steeds allerlei dialecten bestaan. Ja, eigen gerechten en een eigen taal zijn mooi. Ik luister graag naar een Nederlandstalig lied, net zoals ik ook graag naar andere talen luister. Prachtig al die verschillende klanken die een taal vormen. Al die talen hebben, net als de dialecten en streekgerechten, iets moois, iets eigens, iets dat niet verloren mag gaan.

In Zweden eten we regelmatig haring en in Noorwegen
kunnen we niet om de Noorse zalm heen. 
Ronde Zweedse broodjes met ruimte voor een worstje.
Lekker bij de barbecue.