dinsdag 22 januari 2013

De man met de versleten hoed

De wereld buiten ziet er winters en koud uit en af en toe dwarrelen er een paar verdwaalde sneeuwvlokjes neer op het witte tapijt dat zich nu om ons huis heen uitstrekt. Ondertussen zit ik met een kop koffie achter mijn kleine bureau en snort mijn laptop zacht. Het borrelt en bruist in mijn hoofd. Ja, het gaat aardig tekeer daarbinnen. En, nee, ik heb geen kater, dan zou ik het licht van mijn laptopscherm waarschijnlijk niet eens kunnen verdragen, ook al zou ik het tot de laagste stand dempen. Wat is er dan wel aan de hand?

In een van mijn eerdere columns had ik al vermeld dat ik rusteloos met mijn ziel onder de arm rondliep sinds ik het manuscript van mijn derde boek naar mijn uitgever had gestuurd. Die rusteloosheid heb ik inmiddels weten te verjagen met allerlei noodzakelijke huishoudelijke klussen en met het creatief bezig zijn met natuurlijke materialen, die ik bij elkaar gesprokkeld heb tijdens onze reizen naar het noorden.

De foto die alles teweeg heeft gebracht.

Maar zo langzamerhand begint het dus weer onrustig in mijn hoofd te worden. Ja, het borrelt, het bruist, het gaat tekeer. Mijn hersencellen doen hun best ideeën en daaruit voortvloeiende flarden van teksten tot een nieuw verhaal te vormen. Mijn schrijversfantasie heeft lang genoeg in de wachtstand gestaan, vind ik zelf. De nieuwe personages staan te popelen, dus tijd dat er weer iets op papier wordt gezet, al weet ik nog niet precies hoe het de personages in de loop van het nieuwe verhaal zal vergaan. Dat is zelfs voor mij soms een verrassing. En behalve dat, is er nog iets: waar laat ik het verhaal zich afspelen? En zal ik de lat voor mezelf hoger leggen door alles vanuit een andere invalshoek te benaderen? Ik hou wel van een uitdaging, dus waarom niet? Het zijn vragen die nogal eens naarboven borrelen en mijn fantasie flink aan het werk zetten.

Inmiddels heb ik bericht van mijn uitgever gekregen dat het manuscript van mijn derde boek goed is bevonden en dat maakt me niet alleen erg blij maar werkt ook nog eens motiverend! Net zoals enthousiaste reacties van lezers dat kunnen doen. Dus kan ik met hernieuwde energie (en fantasie) met mijn vierde exemplaar aan de slag gaan.

Jaren geleden zat ik ook achter een bureau, vast van plan mijn eerste boek te schrijven. Ik tuurde nadenkend in het rond totdat mijn blik op een fotolijstje viel met daarin een foto van een van onze reizen naar Noorwegen. De foto liet me een zilvergrijs meer zien, omringd door dennen- en berkenbomen, met aan de horizon een bijzondere bergwereld. Waarom niet een verhaal dat zich in Noorwegen afspeelt? schoot het door me heen. En plotseling zag ik iemand voor me in een kano op het water. Een oudere man met halflang, grijs haar en een versleten hoed op. Een verbitterde man, dat wel. Bij hem in de kano zaten twee husky’s.
In gedachten zag ik een kano...

Dat beeld liet me niet meer los en ik verliet mijn zitplaats om op zoek te gaan naar het fotoalbum van de desbetreffende vakantie. Daarin vond ik foto’s van een verlaten oude blokhut in het bos, waar in de vensterbank van een van de kleine ramen een veelgebruikt speelgoedbeertje zat. De hut had een kleine veranda waarop een houten werkbank stond en er was uitzicht op het water. Aan een van de buitenwanden hingen uit hout gesneden vissen. Eigenlijk hadden we op dat moment geen idee waarom we foto’s van deze plek maakten, maar op de een of andere manier was daar iets wat ons aansprak. Iets wat een verhaal vertelde. En dat verhaal kwam plotseling, terwijl ik naar de foto's keek, bovendrijven en is uiteindelijk mijn roman Julie’s liefde geworden. En wie Julie's liefde gelezen heeft, weet waarschijnlijk meteen wie de man met de hoed is en om welke blokhut het gaat.





Ik zou wel eens willen weten aan wie die door ons gefotografeerde blokhut toebehoort. Misschien wel echt aan een man met halflang, grijs haar en een afgedragen hoed. Een man met twee husky’s. Wat zou ik hem graag vertellen hoe die plek daar in het bos mij geïnspireerd heeft, mijn droom werkelijkheid heeft laten worden.

vrijdag 11 januari 2013

Tijdlijn

Tja, en plotseling loop ik met mijn ziel onder de arm. Het manuscript van mijn derde boek is de deur uit en het voelt alsof ik naar het andere einde van de wereld emigrerende familieleden heb uitgezwaaid. Ik had dit op Twitter vermeld en kreeg prompt een reactie van iemand die me vertelde dat ik last had van het ‘lege nest syndroom’. Nu weet ik zeker dat ik daar nog nooit eerder last van heb gehad, zelfs niet toen onze kinderen uitvlogen (sorry kids, maar ik hou echt veel van jullie, hoor), vandaar dat ik het gevoel waarschijnlijk niet herkende. Maar wie weet is het dat inderdaad: ik mis mijn zelfverzonnen personages omdat ik op allerlei manieren met ze meeleefde. Ben ik dan een beetje gek, excentriek of valt het allemaal wel mee?

Sommigen vertrekken op weg naar een hopelijk beter bestaan.

Blijkbaar moet ik afkicken, mijn laatste verhaal loslaten, dus misschien moet ik afleiding zoeken. Mijn kledingkast schreeuwt al maanden om een ordelijke indeling. Als ik er iets uit wil pakken heb ik het gevoel dat ik me, dwars door alle kledingstukken heen, eerst een weg naar het andere einde van de aarde (alweer?) moet banen. Overzicht zou erg fijn zijn. Dus, misschien een dagje Ikea voor kast- en lade-indelingen.
De vriezer begint zo langzamerhand op het interieur van een iglo te lijken, dus ontdooien en schoonmaken zou geen overbodige luxe zijn. En de badkamer? Die kastjes lijken meer op een uitstalling op een rommelmarkt dan iets waar ik ’s morgens snel en efficiënt mijn deo en dagcrème terug kan vinden. En dan hebben we het nog maar niet over de voorraadkast in de keuken waar, zodra ik daar iets van een plank afpak, er altijd wel iets naar beneden valt, zoals laatst een glazen vaas. Gevolg: ik loop tegenwoordig als een Tai Chi beoefenaar de kast in, mijn armen langzaam van de ene naar de andere kant bewegend, in afwachting van een onverwachte aanval van naar beneden vallende voorwerpen.

Ja, er zijn genoeg bezigheden waarmee ik eens aan de slag zou moeten gaan. Niet dat mijn echtgenoot niets doet, integendeel, hij doet ontzettend veel voor mij op huishoudelijk gebied. Hij is, zoals E.L. James dat over haar echtgenoot zegt, een huishoudelijke god en ik prijs mezelf gelukkig met zo’n man.

En dan zijn er nog heel veel boeken die ik zou willen lezen en ben ik ooit aan het uitzoeken van mijn stamboom begonnen, maar dat laatste is inmiddels op een laag pitje gezet. Het zoeken naar voorouders heeft me wel geïnspireerd tot het schrijven van mijn derde boek. En des te leuker was het dat er afgelopen week een nichtje van mij op bezoek kwam die onze Groninger familiegeschiedenis aan het uitzoeken is en daar allerlei bijzonderheden over kan vertellen. Ze liet me boekwerken zien met familienamen en -verhalen en prachtige oude foto’s van onze voorouders. (Dank je, Corrie, dat ik een kijkje in het familiearchief mocht nemen).

Stambomen én bomen: ik hou van allebei.

Ik kan naar zo’n stokoude, sepia kleurige foto staren en me afvragen wat er op dat moment door de op die foto afgebeelde persoon heen gaat, wat diegene op dat moment denkt, voelt en daarna vraag ik me af wat diegene allemaal al heeft meegemaakt of nog moest meemaken. En van sommigen wist ik natuurlijk al wat er ging gebeuren…
Er kwamen mannen voorbij met grijze baarden en tanige gezichten, waar het harde leven van toen zich duidelijk op aftekende, en mannen in huzarenuniform tijdens de periode 1914-1918. Vrouwen met het haar opgestoken en gekleed in lange jurken, meestal met een kind op de arm of een paar kinderen aan de rokken hangend. Vrouwen die veel kinderen baarden, maar ook veel kinderen verloren hebben. Vrouwen die zelf jong zijn overleden. Kinderen waarvan de vader niet bekend was. Foto’s van piepkleine huisjes waarin een enorm gezin moest wonen.

Mijn voorouders.

Ja, bijzonder om zo je familiegeschiedenis als een soort van tijdlijn aan je voorbij te zien trekken. Zou er over een jaar of honderd ook iemand naar een foto van mij staren en zich afvragen wat voor iemand ik geweest ben? Wie weet hang ik dan ergens in een sierlijk fotolijstje aan de wand en vertelt er iemand verhalen over mij en mijn naasten. Eigenaardig idee...







woensdag 2 januari 2013

Gouden sterren

Zo, de feestdagen zijn voorbij en het huis en de tuin zijn voor een jaar weer geheel kerstvrij gemaakt. Ontvangen kerstkaarten worden op een stapeltje in de la bewaard, zodat ik kan zien wie we de volgende keer een kaart moeten sturen. In een hoekje staat nog een fles met een bodempje smakelijke glühwein, een fles met een restje tintelende bruis en op de tafel liggen de laatste, geurige oliebollen in een schaaltje naar me te lonken. Verbazingwekkend hoe snel de feestdagen voorbij zijn gevlogen. Ieder jaar probeer ik de sfeer van winterse en knusse gezelligheid zo goed mogelijk op te snuiven: de vrolijk twinkelende lichtjes, de kerstmuziek, het samenzijn met familie, de klok die naar het nieuwe jaar toe tikt, het kijken naar het vuurwerk dat in gouden sterren uit elkaar spat, en toch heb ik achteraf vaak het gevoel dat ik er meer van had kunnen genieten. En dan vraag ik me af waarom dat zo is.

Terwijl ik een verdwaalde kurk van de vloer opraap, de als stuifsneeuw neergedaalde poedersuiker van de tafel veeg en de champagneglazen bij elkaar zoek, weet ik ergens wel hoe dat komt. Het komt door het besef dat er mensen zijn die niet de mogelijkheid hebben fijne en gezellige feestdagen te vieren. Die niemand hebben. Die niet alleen niemand hebben, maar ook niets hebben.
Mensen die vroeger misschien een ‘normaal’ leven geleid hebben maar werkeloos zijn geworden, hun huis kwijt zijn geraakt, dakloos zijn, hun gezin niet meer kunnen onderhouden, een beroep op de voedselbank moeten doen, zich geen medische hulp of medicijnen meer kunnen veroorloven, van nutsbedrijven afgesloten zijn, geen kleding of schoolkosten voor hun kinderen meer kunnen betalen. Jonge moeders die met hun kindje onderdak in een opvanghuis zoeken omdat ze anders op straat moeten leven. Eenzame mensen. Mensen die het uiteindelijk niet meer zien zitten…

Ze zijn er in Nederland, al deze mensen, en hun aantal schijnt alleen maar toe te nemen. Schrijnende gevallen, ook dicht bij mij. Zoals een man die bijna alles al was kwijtgeraakt, door een brand het weinige wat hij nog had ook nog verloor en huilend met zijn handen voor zijn gezicht op de grond neerknielde omdat hij niet meer wist hoe het verder moest. Soms maak ik kennis met dergelijke mensen, als een toevallige ontmoeting tussen twee reizigers. Ze komen en gaan weer. Maar sommigen blijven bij ons in de buurt wonen. Mensen met een rugzak.

Je kunt een richting kiezen die je wilt, maar soms kom je op een
totaal andere bestemming terecht...
Foto: poolcirkel, Rovaniemi, Finland.

En als ik hoor wat mensen soms moeten doorstaan, verbaas ik me erover hoe sterk en veerkrachtig een mens kan zijn en hoe ze toch iets van het leven proberen te maken. Bewonderenswaardig...
Ik hoop, ja, ik hoop echt, dat er voor deze mensen een zoveel betere toekomst in het verschiet ligt. En die toekomst had voor hen niet dit nieuwe jaar, maar al veel eerder moeten beginnen. En ik weet dat er in de rest van de wereld ook genoeg schrijnende gevallen te vinden zijn, maar vergeet niet dat het ook zomaar, zonder dat je er erg in hebt, je buurman of buurvrouw kan zijn of dat schattige gezinnetje waarvan de kinderen altijd zo lief naar je zwaaien.
Laat van al het in gouden sterren uit elkaar gespatte vuurwerk een schitterende ster op de plaatsen zijn neergedaald waar een menswaardige toekomst hard nodig is, als een symbool van hoop, saamhorigheid en liefde.
Klink ik zweverig? Ik weet het niet, het zijn gewoon mijn gedachten die ik op papier zet. Niets meer, niets minder.